Intro
Achtentachtig, koffie zwart,
pantoffels aan, een mooie kar.
Gerrit kijkt naar buiten en zegt:
“Wat een kutdag. Hij begint pas net.”
Verse 1
Zeven uur, het nieuws staat aan,
Gerrit zit alweer te mopperen op de bank.
Tabo Makoena komt met het weer:
“Vanmiddag zon, daarna wat regen.”
Gerrit: “Wie is dát nou weer?”
Hij zet de televisie harder en schreeuwt ertegen:
“Vroeger stond er gewoon een blanke vent!”
Tabo glimlacht: “Het wordt een mooie dag.”
“Nou, mooi niet,” zegt Gerrit kwaad,
en hij doet de gordijnen dicht.
Zijn koffie is inmiddels koud.
“Stinkende zwart joekel, dat volk is fout”
Pre-Chorus
Jas aan, sleutels, kar vooruit,
hij beukt bijna zijn voordeur uit.
De buurvrouw roept: “Veel plezier!”
“Bek dicht hoer,” roept Gerrit. “Ik woon hier.”
Chorus
Stuk, stuk, alles is stuk!
Godverdomme, wat een tijd,
vol blaaskaken, al dat kanker gezeik.
Hé! Stuk, stuk, alles is stuk!
Vroeger was beter, tegenwoordig geen geluk!
Linksom, rechtsom, kar erdoorheen,
als de hele wereld gek is, blijft Gerrit op één been!
Verse 2
In de winkel gaat de deur vanzelf opzij.
“Lekker dan. Zelfs een deur loopt weg voor mij.”
Bij het wijnpad wil hij naar de bier gaan,
maar een man in een jurk staat in het wijnpad.
Gerrit stuurt zijn kar en raakt zijn hak.
“Sorry, meneer,” zegt de man, “ik stond in de weg.”
“Niet naar mij kijken!” blaft Gerrit meteen.
De man kijkt op: “U rijdt me bijna van mijn benen.”
“Zie je nou wel? Je kijkt!” Gerrit wijst hem aan.
De man pakt zijn wijn en laat hem staan.
Gerrit duikt op hem en grijpt zijn nek,
Ze pleuren tegen het schap zo op zijn bek.
Chorus
Stuk, stuk, alles is stuk!
Godverdomme, wat een tijd,
vol blaaskaken, al dat kanker gezeik.
Hé! Stuk, stuk, alles is stuk!
Vroeger was beter, tegenwoordig geen geluk!
Linksom, rechtsom, kar erdoorheen,
als de hele wereld gek is, blijft Gerrit op één been!
Verse 3
Bij de kassa staat een scherm in plaats van een mens.
“Nou, dikke lul, dát was niet mijn wens.”
“Scan uw artikelen,” klinkt een lieve stem.
“Ik werk hier niet, trut,” zegt Gerrit tegen het scherm.
Piep. Het brood. Piep. De bier.
“Leg uw artikel op de weegschaal, alstublieft.”
Hij zet zijn hele kar erop.
“Onverwacht artikel.” “Dat ben jij, rotkop!”
Een jongen komt helpen, amper zestien jaar.
Drukt één knop. De bon ligt klaar.
Gerrit snuift: “Dat kon ik zelf ook wel.”
De jongen knikt. “Natuurlijk, meneer. Prettige dag verder.”
Bridge
Thuis vertelt hij luid dat hij de kassa heeft verslagen.
Zijn kleinzoon belt: “Opa, mag ik je wat vragen?
Kom je zondag eten? Ik maak soep voor jou.”
“Met ballen?” vraagt hij. “Ja.” “Dan kom ik gauw.”
Ze stuurt een hartje. Gerrit bromt: “Tering miet”
Dat stuk stront familie wilt hij liever niet.
(ja die mag)
(ja die mag)
(ja die mag)
(dooooood)
Verse 4 – De keuken
Na drie kroegen is Gerrit zijn eigen straat voorbij.
Hij ziet een keukendeur openstaan en denkt: “Die is voor mij.”
Hij zit al aan de tafel, bier in zijn hand,
met zijn mooie kar geparkeerd tegen het aanrecht aan.
Dan komt de vrouw naar binnen: “Wat doet u in mijn huis?”
Gerrit heft zijn blikje op en antwoordt doodserieus:
“Wat dacht je, frisse neus? Natuurlijk bier drinken.”
Hij neemt een slok. “Loop jij altijd zo stilletjes naar je eigen keuken?”
“Eruit!” roept ze. Gerrit zegt: “Mijn bier is nog niet op.”
Ze pakt zijn kar, hij springt overeind: “Hé, blijf van mijn kar af!”
Een minuut later staat hij buiten in de kou,
nog met zijn blikje in zijn hand. “Wat een trut van een vrouw.”
Final Chorus
Stuk, stuk, alles is stuk!
Godverdomme, wat een tijd,
vol blaaskaken, al dat kanker gezeik.
Hé! Stuk, stuk, alles is stuk!
Vroeger was beter, tegenwoordig geen geluk!
Linksom, rechtsom, kar erdoorheen,
als de hele wereld gek is, blijft Gerrit op één been!
Outro
Alles is kut zo pauper ruk, maar die kar is zijn geluk.